Meet het vrije wandvlak, niet de hele muur
De maat van een sticker moet in verhouding staan tot het vlak dat werkelijk zichtbaar blijft, dus zonder het deel achter de bank, de kast of de deur. Meet dat vrije vlak op in breedte en hoogte en noteer waar stopcontacten, schakelaars en lijsten zitten. Een sticker die op papier ruim leek blijkt in de kamer vaak te klein: op een vrije wand van drie meter breed verdwijnt een figuur van veertig centimeter. Als richtlijn mag een centraal beeld ongeveer de helft tot tweederde van de vrije breedte innemen.
Boven een meubel volgt de sticker de breedte van dat meubel
Komt de sticker boven een bank, dressoir of bed, dan is het meubel het ankerpunt en niet de muur. Houd de sticker ongeveer even breed als tweederde tot driekwart van het meubel en centreer hem daarop, ook als het meubel zelf niet in het midden van de wand staat. De onderkant van de sticker blijft bij voorkeur vijftien tot dertig centimeter boven de rugleuning of het blad, zodat er lucht tussen zit en het geheel niet aan elkaar plakt.
Ooghoogte is het uitgangspunt bij een vrije wand
Op een wand zonder meubel geldt hetzelfde uitgangspunt als bij kunst: het optische midden van het beeld komt op ongeveer honderdveertig tot honderdvijftig centimeter boven de vloer, de gemiddelde ooghoogte van een staand persoon. In een eetkamer of zithoek waar mensen vooral zitten mag dat tien centimeter lager. In een kinderkamer verlaagt u het naar de ooghoogte van het kind, ongeveer honderd centimeter, zodat de figuren voor hen zichtbaar zijn.
Plak eerst met papier, dan pas echt
Knip het silhouet ruw uit oud papier of teken de omtrek af met afplaktape, en hang dat een dag op de wand. U ziet dan pas hoe het beeld zich verhoudt tot deuren, plinten en licht, en of het niet in de weg van een schakelaar komt. Deze stap kost een kwartier en voorkomt de meest voorkomende spijt: een sticker die keurig recht geplakt is, maar op de verkeerde plek.
Laat symmetrie los als de wand dat vraagt
Niet elke wand vraagt om een sticker precies in het midden. Staat er een deur uit het midden, of loopt er een schouw of een radiator langs, dan oogt een strikt gecentreerd beeld juist onrustig omdat het de bestaande asymmetrie benadrukt. Kies in dat geval een ankerpunt dat er al is: de as van het raam, de zijkant van de schouw of de rand van de kast. Het beeld hoeft dan niet in het midden te hangen, zolang het maar duidelijk op iets is uitgelijnd. Toeval leest het oog altijd als een fout.



